BLADLUIS

De Katoenluis
De katoenluis (Aphis gossypii) is een 0,9-1,8 mm kleine, ronde bladluis, met als meest onderscheidende kenmerk de zwarte, korte siphonen. De kleur varieert van gelig tot donkergroen, en soms bijna zwart. Ze heeft een kleine cauda (staart), geen voorhoofdsknobbels en antennen die korter zijn dan het lichaam.
De katoenluis is afkomstig uit warmere gebieden waar zij reeds lang een plaag vormt op katoen en komkommerachtigen. Dankzij het gunstige klimaat in onze kassen overleeft ze hier ook onze winters. De katoenluis is vooral een plaag op kasgroenten zoals komkommer en meloen, en op sierteeltgewassen zoals chrysant en hibiscus. Bij ons kent de katoenluis geen waardplantwisseling. Door overwintering in de kas kunnen reeds vroeg in het voorjaar (vanaf begin maart) aantastingen voorkomen. Nog meer dan andere bladluissoorten, wordt de katoenluis gekenmerkt door een explosieve populatiegroei.
Er bestaan veel verschillende stammen van de katoenluis, elk met een bepaalde voorkeur voor een waardplant en resistentie tegen gewasbeschermingsmiddelen.

De groene perzikluis (Myzus persicae)
De Bladluis

De groene perzikluis (Myzus persicae) is een 1,2-2,6 mm kleine, ovale bladluis met opvallende naar elkaar wijzende voorhoofdsknobbels. De kleur varieert van bleek geelgroen tot groen, en soms rood. De siphonen (Uitsteeksels op het achterlijf) zijn middellang en de antennen reiken tot aan de siphonen.
Meestal overwintert de groene perzikluis als ei op haar winterwaard (perzik- of andere pruimachtigen). Na enkele generaties op haar winterwaard, verplaatst ze zich in mei terug naar haar zomerwaard. In de kas is ook overwintering mogelijk. In dat geval blijft een verworven resistentie ook beter behouden.
De groene perzikluis kan een plaag vormen op kasgroenten (zoals paprika, tomaat, komkommer, sla, aubergine ...),
sierteelten (zoals chrysant, pelargonium ...) en vollegrondsteelten (zoals aardappel, biet, kool, tabak, spinazie ...).
De groene perzikluis kan meer dan 100 virussoorten overbrengen.

De tabaksperzikluis (Myzus nicotianae)
De tabaksperzikluis (Myzus nicotianae) is zeer moeilijk te onderscheiden van de groene perzikluis. Slechts a.h.v. enkele microscopische kenmerken kan men de soorten uiterlijk onderscheiden. Net zoals de groene perzikluis tast de tabaksperzikluis verscheidene waardplanten aan, waarvan tabak favoriet is.
De "rode luis" die sinds enkele jaren de paprika- en auberginetelers veel problemen bezorgt, is een rode vorm van de tabaksperzikluis. Deze rode luis is vooral schrikbarend door haar resistentie tegen vele gewasbeschermingsmiddelen, hetgeen nogmaals het belang van een goede biologische bestrijding benadrukt.

De aardappeltopluis (Macrosiphum euphorbiae)
De aardappeltopluis (Macrosiphum euphorbiae) is een 2-4 mm grote, langgerekte bladluis met relatief lange poten. De antennen zijn langer dan het lichaam. De ogen zijn opvallend rood. De cauda (staart) is relatief lang, en de siphonen zijn lang met een donker uiteinde. De aardappeltopluis is meestal groen, soms gelig of roze. De larven hebben een donkere lengtestreep op de rug. Opvallend is dat de aardappeltopluis zeer beweeglijk is. Zij laat zich ook gemakkelijk vallen.
Hoewel deze bladluis in Noord-Amerika meestal op roos overwintert, overwintert ze bij ons doorgaans in de kas. De aardappeltopluis heeft wel meer dan 200 waardplanten zoals tomaat, aubergine, paprika, chrysant, roos, gerbera, pelargonium, tabak en aardappel. Zij bevindt zich ook vaak op stengels of op jonge gedeelten van de plant, waardoor zij gekrulde toppen geeft die op virusaantastingen lijken.

De boterbloemluis (Aulacorthum solani)
De boterbloemluis (Aulacorthum solani) is een middelgrote, rond-ovale bladluis van 1,8 tot 3 mm. Onderscheidend zijn de donkere bandjes op de antennen, die langer zijn dan het lichaam. De cauda (staart) en siphonen zijn middellang. Aan de basis van die siphonen zijn donkergroene vlekken waarneembaar. Deze bladluis is meestal glanzend geel-groen van kleur, maar dit kan variëren van wit-gelig groen tot bruinig groen. De boterbloemluis heeft geen sexuele fase, en plant zich dus levendbarend voort op verschillende gewassen. In openlucht tast zij o.a. aardappel- en allerlei bolgewassen aan. In de kas bedreigt zij vooral paprika, chrysant, gerbera, aubergine, sla en boon.

Schade

Bladluizen kunnen gewassen op verschillende manieren beschadigen:
1.Met hun zuigsnuit onttrekken ze voedingsstoffen aan planten, waardoor de groei van de plant belemmerd wordt. Aantastingen op jonge bladeren geven later misvormde bladeren.
2.Het teveel aan opgenomen suikers wordt als honingdauw afgescheiden, waarop roetdauwschimmels kunnen groeien die de bladeren of vruchten bevuilen.
3. Ze kunnen virussen overbrengen.
4.Ze kunnen toxische stoffen in de plant brengen.